Te goeder trouw (deel 1)

Bij het UWV groeit de werkvoorraad. Men kan de enorme stapels aanvragen en herkeuringen niet meer aan. Waarom is het vaststellen van het recht op een werkloosheids- of arbeidsongeschiktheidsuitkering zo moeilijk? Waarom hebben we in onze maatschappij zoveel discussie over het recht op een uitkering? Dit stuk gaat over de relatie tussen ‘goede trouw’ enerzijds en sociale voorzieningen anderzijds.

Ik kan niet anders

Betaald werk is in Nederland de norm. Wie geen betaald werk verricht heeft iets uit te leggen; die moet aantonen dat hij te goeder trouw is. Goede trouw is zoiets als een positieve intentie om bij te dragen aan de maatschappij. Die intentie is sowieso bewezen door te werken en belasting te betalen. Maar als iemand geen betaalde baan heeft, dan willen we weten waarom niet. Het enig juiste antwoord is: “Ik kan niet anders, want…”. De argumentatie die daarop volgt bepaalt of we in andermans positieve intentie geloven. Zo gaat het nu in Nederland.

Van iemand die we goed kennen nemen we makkelijker aan dat die te goeder trouw is. Als een geliefde geen betaald werk heeft, vragen we nauwelijks bewijs voor de stelling dat hij niet anders kan. Er is dan ook een soort pikorde in ons vertrouwen: bovenaan geliefden (partner, familie, vrienden), dan de bekende uit eigen culturele kring (werkkring, school, kerk, vereniging), dan de onbekende uit eigen culturele kring (‘ons soort mensen’), dan de Bekende Nederlander, dan de onbekende Nederlander en ten slotte de onbekende illegaal. Hoe lager in de pikorde, des te concreter de bewijzen voor ons moeten zijn om te kunnen aannemen dat iemand te goeder trouw is.

Sociale bewogenheid

Niet alleen onze bereidheid om andermans intenties te vertrouwen neemt toe naarmate we iemand beter (menen te) kennen. Maar ook de omvang van de steun die we onze behoeftige medemens bereid zijn te geven hangt met die pikorde samen. Bijvoorbeeld: bed, bad, brood voor de vluchteling die zijn goede intenties heeft bewezen*; een bijstandsuitkering voor de onbekende Nederlander die zich inspant (te betalen uit belastinggeld), de werkloosheids- of arbeidsongeschiktheidsuitkering voor de eigen culturele kring (we betalen mee aan de premie); en ten slotte ‘luxe’ extra’s voor de geliefde (betalen we desnoods uit eigen zak).

In hoeverre iemand een onfortuinlijke medemens wil ondersteunen zegt iets over diens sociale bewogenheid en bereidheid om te delen. Is de persoon in kwestie meer individualistisch of meer collectivistisch? Zo kan iedereen zijn persoonlijke sociale profiel tekenen in het kwadrant dat ontstaat uit enerzijds de mate waarin hij bewijs wil zien van goede trouw en anderzijds de omvang van diens bijdrage aan benodigde steun.

Knelpunten arbeidsmarkt 2.1 A

De tegenprestatie

Sinds de jaren tachtig, toen bleek dat de sociale voorzieningen duurder uitpakten dan verwacht, is het idee gegroeid dat mensen voor zichzelf moeten zorgen en niet op de overheid mogen leunen. Onze samenleving tendeert naar een meer individualistische instelling. De bijdragen uit ‘de algemene pot’ worden daardoor kleiner. Maar opmerkelijker is de ontwikkeling dat iemand die een beroep doet op sociale voorzieningen zijn positieve intenties steeds stelliger moet aantonen.

Suzanne Raes en Monique Lesterhuis lieten in een documentaire¹ zien hoe de Gemeente Rotterdam bijstandsaanvragers aanzet tot het leveren van een ‘tegenprestatie’. Een ontluisterend verslag. Met behulp van ingestudeerde scripts confronteren inspecteurs de betrokkene met diens wettelijke plicht om iets terug te doen voor het geld dat men zal krijgen. Onderdeel van de aanvraagprocedure – de uitkering is dan dus nog niet verstrekt – is een dag papierprikken in de stad, zonder aanzien des persoons. Het nalaten van verplichtingen, bijvoorbeeld geen bewijzen van sollicitaties overleggen, leidt onverbiddelijk tot een strafkorting op de uitkering van 35 procent.

Heiligt het doel de middelen?

De procedures voor toekenning van uitkeringen zijn sterk negatief geladen. Het risico is dat deze aanpak het probleem alleen maar erger maakt. Een werkzoekende die steeds moet beargumenteren waarom hij geen betaald werk kan vinden, concentreert zich voortdurend op zijn zwakke punten. Terwijl iedereen die wel eens een baan heeft gezocht weet dat de kans op succes toeneemt als je blik vooral gericht is op je sterke eigenschappen. Een zieke die zijn uitkering wil veiligstellen blijft bij zichzelf zoeken naar bevestiging van de kwaal, in plaats van optimistisch te zijn over de dingen die hij alweer kan.

Het is een paradox: de overheid prikkelt ontvangers van uitkeringen tot actie, om hen op die manier dichterbij de arbeidsdynamiek te brengen. Maar beschadigt daarbij de trots zodanig dat men zichzelf voorlopig niet meer kan zien als volwaardig deelnemer van de arbeidsmarkt. Door het machtsvertoon en het stelselmatig miskennen van de eigenheid wordt de buitenwereld voor de betrokkenen alleen maar een grotere bedreiging, die de uitkeringsgerechtigde liever ontvlucht. Toch is de overheid positief over de Rotterdamse aanpak – kennelijk neemt het aantal uitkeringsgerechtigden af.

De documentaire over bijstandsaanvragers in Rotterdam liet nog iets anders zien: er zijn mensen die schijnbaar in een eigen werkelijkheid leven. Het is onmogelijk om de intenties te doorgronden van de mensen die in beeld kwamen, maar de kijker is zich er na afloop pijnlijk van bewust dat sommige mensen over zeer weinig vermogen tot zelfreflectie beschikken. Zij behoren tot het gedeelte van de samenleving dat liever neemt dan geeft. Het is naar mijn mening echter een misvatting om ervan uit te gaan dat deze categorie zich alleen voordoet onder uitkeringsgerechtigden.

Knelpunten arbeidsmarkt 2.1 B

Jouw geliefde is voor mij een onbekende

Als we iedereen die een beroep doet op onze hulp met wantrouwen benaderen, dan is de kans vrij groot dat ons wantrouwen iemand treft die wel te goeder trouw is. Door onze solidariteit te beperken tot de eigen culturele kring maken we dan ook een naïeve denkfout. De geliefde van de een is voor de ander een onbekende. Als onbekenden niet mogen meedelen uit algemene middelen, dan deelt ook jouw geliefde niet meer mee in geval van tegenslag. Of omgekeerd, als iedereen zijn geliefden (partner, familie, vrienden) als te goeder trouw zou mogen aanmerken, dan zou iedereen in Nederland te goeder trouw zijn.

In lijn met die gedachte zouden we beter kunnen afspreken dat iedereen die geen betaald werk verricht te goeder trouw is, totdat het tegendeel is gebleken. Wie werkloos of ziek is, hoeft dus niet meer aan te tonen dat hij niet anders kan, dat het geen luiheid is. We nemen gewoon aan dat er een goede reden is waarom hij geen betaald werk heeft. Dat bespaart een heleboel inspectiekosten, het bespaart de personen in kwestie veel leed. Maar vooral: het vergroot de kans aanzienlijk dat een inactief persoon toch in actie komt, ook al is het maar in beperkte mate.

Wederkerigheid is altijd nodig

Het is een misverstand om te denken dat we geld besparen door het wantrouwen aan te wakkeren jegens mensen die een beroep doen op sociale voorzieningen. De bereidheid om zich in te spannen voor het geheel neemt daardoor juist af. We kunnen onze aandacht beter richten op het verkleinen van de groep mensen die liever neemt dan geeft – ongeacht of men betaald werk verricht of niet.

Wederkerigheid is altijd een voorwaarde, zowel voor duurzame samenwerking (lees Community of pooling) als voor een duurzame samenleving. De beste aanpak van ‘te-veel-nemers’ vinden we echter niet in de wet of in een streng ambtelijk apparaat. Mijn suggestie: als we er nu eens allemaal op toezien dat onze geliefden hun goede trouw bewijzen?

 

Dit is aflevering 2, deel 1 van een drieluik over knelpunten in de arbeidsmarkt. In deel 2 komen de financiële consequenties voor de uitkeringsgerechtigden aan de orde (Te goeder trouw (deel 2)).

De eerste aflevering van het drieluik, Geen instroom zonder doorstroom, liet zien dat te veel mensen onder hun niveau moeten werken. De consequentie is dat inactieven daardoor minder kans hebben op de arbeidsmarkt. Door beter gebruik te maken van de talenten van werkenden kan ruimte gecreëerd worden voor inactieven.

1) De Tegenprestatie, Human documentaires, NPO2 op 19 oktober 2015, gemaakt door Monique Lesterhuis en Suzanne Raes
*) Stel dat een migrant bereid zou zijn om in ruil voor de karige voorzieningen van de Nederlandse regering ook nog ‘ns fulltime te werken. Dan is dat een werknemer die veel minder kost dan een Nederlandse werknemer. Nederland zou dan zelfs met landen in het Verre Oosten kunnen concurreren. Maar sommige Nederlandse werknemers zouden dan wellicht hun werk verliezen aan die buitenlandse arbeidskracht. Aangezien dat niet als wenselijk wordt gezien, mogen migranten niet werken voor het lage bedrag dat we hen kennelijk waard vinden. Eigenlijk kennen we deze mensen niet alleen een lage waarde toe, maar weerhouden ze er bovendien van om zich naar die waarde te gedragen. Dat laatste is volgens mij nog erger dan het eerste.

Advertisements

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s