Te goeder trouw (deel 2)

Iedereen die geen betaald werk verricht is te goeder trouw. Daar gaan we van uit, totdat het tegendeel is gebleken. Wie werkloos of ziek is, hoeft dus niet meer aan te tonen dat hij niet anders kan, dat het geen luiheid is. En we zien er allemaal op toe dat onze geliefden hun goede trouw waarmaken, ook als ze betaald werk verrichten. Met die stelling eindigde het eerste deel van een betoog over goede trouw en sociale voorzieningen. In dit tweede deel belicht ik de financiële kant. Tot waar reikt onze solidariteit met de medemens in nood, en wat betekent dat voor de manier waarop we onze financiële verplichtingen kunnen dekken in geval van ziekte of werkloosheid?

Solidariteit garandeert leefbaarheid (en meer niet)

De aanname dat iedereen te goeder trouw is, zegt alleen iets over de bereidheid om hulp te bieden in geval van ziekte of werkloosheid. De omvang van die steun is een andere kwestie. Onze bereidheid om belangeloos te geven is gebaseerd op het principe dat niemand van ons mag lijden (tenzij het zijn eigen schuld is). Voor wie geen verbinding voelt met de ander gaat solidariteit dan ook niet verder dan ‘Laat jij mij leven? Dan laat ik jou leven.’ Als elke Nederlander zou aangeven welke noodhulp een onbekende met positieve intenties mag krijgen, dan komt de gemiddelde uitkering daarom waarschijnlijk uit op ongeveer het zogenaamde leefbaarheidsniveau*.

Knelpunten arbeidsmarkt 2.2
Klik op het plaatje om het te vergroten

In het eerste deel van mijn betoog over goede trouw heb ik een kwadrant gebruikt om inzicht te geven in het verband tussen de nabijheid van de medemens enerzijds en het recht op sociale voorzieningen anderzijds. Volgens de logica van dit kwadrant vloeit het algemene recht op een basisinkomen voort uit de aanname dat iedereen die tot onze samenleving behoort te goeder trouw is. Het kwadrant maakt ook duidelijk dat mensen die van buiten onze samenleving komen (vluchtelingen, immigranten) niet vanzelf meedelen in onze solidariteit.

Werknemersverzekeringen gaan de solidariteit voorbij

Het verstrekken van een basisinkomen aan iedereen, zonder de intenties van de ontvanger te controleren, lijkt misschien een collectivistische gedachte. In feite is het echter een bevestiging van de voortschrijdende individualisering van onze samenleving. Aangezien onze solidariteit met onbekenden zich beperkt tot het garanderen van leefbaarheid, zeggen we eigenlijk tegen elkaar: en verder zoek je het zelf maar uit! De kwestie zou daarmee afgehandeld zijn, ware het niet dat de meeste mensen gewend zijn aan een uitgavenpatroon dat hoger is dan het leefbaarheidsniveau.

Daarom zijn er werknemersverzekeringen in Nederland, die zich richten op het (gedeeltelijk) handhaven van het inkomen bij werkloosheid en ziekte. Deze uitkeringen, die doorgaans hoger zijn dan het leefbaarheidsniveau, ontstijgen dan ook het niveau van solidariteit en zijn gebaseerd op het verzekeringsprincipe: ik betaal premie en declareer schade. Toch zijn de werknemersverzekeringen georganiseerd door het Rijk en dragen we collectief het financiële risico in de verhouding tussen premies en uitkeringen. Deze tegenstrijdigheid maakt de toekenning van uitkeringen zo lastig.

Het UWV kan het niet goed doen

Zeker in geval van ziekte is vaak wel duidelijk dat iemand helemaal niet kan werken. Maar de situatie is lang niet altijd zo duidelijk: wanneer is iemand weer fit genoeg om iets te doen, wat zou iemand die (nog) ziek is wél kunnen doen? Van sommige ziektebeelden wordt zelfs onder medici betwist of ze een geldig argument zijn om niet te werken. Waar het bij de aanvraag van een uitkering al snel om draait is de vraag of iemand er wel alles aan doet om betaald werk te kunnen verrichten. Kortom, is de aanvrager van de uitkering te goeder trouw?

De Rijksoverheid heeft de beslissing over het al dan niet toekennen van een uitkering gedelegeerd aan het UWV. In beginsel moet het UWV objectief zijn, maar financiële overwegingen spelen onvermijdelijk een rol; er zijn altijd instructies van hogerhand. De verzekerde moet de UWV-inspecteur ervan overtuigen dat hij niet in staat is om betaald werk te verrichten, ondanks zijn positieve intenties. Zoals ik in het vorige deel al heb beschreven, wordt de verzekerde daardoor gedwongen om vooral veel nadruk te leggen op zijn ónmogelijkheden.

De UWV-inspecteur is door ons in een onmogelijke positie geplaatst. Hij moet de goede trouw vaststellen van mensen die hij niet kent. Een objectieve maatstaf om de intenties van de aanvrager vast te stellen heeft hij niet. Bovendien vertegenwoordigt hij financiers (alle Nederlandse stemgerechtigden) die eigenlijk helemaal niet willen meebetalen voor uitgaven die uitstijgen boven het leefbaarheidsniveau. Daarom blijven de werknemersverzekeringen een bron van irritatie, zowel voor degenen die een uitkering (willen) krijgen, als voor degenen die aan die uitkeringen meebetalen.

Kijk naar uitgaven, niet naar inkomen

Onze worsteling met sociale voorzieningen is daarnaast een gevolg van het hanteren van een verkeerd financieel perspectief. Uitkeringen zijn gericht op het (gedeeltelijk) handhaven van het inkomen, terwijl de voorziening eigenlijk bedoeld is voor het dekken van uitgaven. Welke uitgaven werden gedaan toen het inkomen nog intact was, en welk deel daarvan moet doorlopen? Als iedereen een basisinkomen zou hebben, zonder zijn goede trouw te hoeven bewijzen, dan komt het risico van inkomensverlies er heel anders uit te zien.

Het basisinkomen dekt alle uitgaven waarvan wij vinden dat die tot het niveau van leefbaarheid behoren; boven dat niveau zouden we eigenlijk moeten spreken van ‘luxe’. De vraag is nu dus: wie wil onze ‘luxe’ betalen als het reguliere inkomen wegvalt? Met dien verstande dat een deel van die luxe-uitgaven een verplicht karakter heeft. Bijvoorbeeld, de betrokkene woont in een duurder huis dan we in het algemeen als ‘leefbaar’ aanmerken. In dat geval kunnen de uitgaven niet zomaar worden verlaagd. Sterker nog, het is vaak logisch dat iemand in zijn huis blijft wonen, omdat een spoedig herstel van zijn inkomen mag worden verwacht.

Ik wil niet betalen voor jouw luxe, tenzij…

Terug naar het kwadrant waarin het verband tussen de nabijheid van de medemens enerzijds, en sociale voorzieningen anderzijds wordt uitgedrukt. Hoewel de bereidheid om met anderen te delen een subjectieve kwestie is, schuilt in deze voorstelling ook een objectieve logica: een relatief hoge uitkering vergt een relatief stellig bewijs van de goede trouw. Dat stellige bewijs kan weliswaar niet door een UWV-inspecteur worden verkregen, zo zagen we net, maar wel door iemand die dichterbij de betrokkene staat.

Voorzieningen die continuïteit bieden voor uitgaven die uitstijgen boven de basisbehoeften zijn per definitie gebaseerd op wederkerigheid. De betrokkenen hebben een vertrouwensrelatie met elkaar; omdat ze familie zijn, vrienden, naaste collega’s of oud-jaargenoot. Persoon A vertrouwt erop dat persoon B alleen een beroep doet op hulp als het nodig is. En omgekeerd vertrouwt persoon B erop dat persoon A het beste met hem voorheeft als die hem aanspoort om zich meer in te spannen, en de gevraagde hulp misschien in beperkte mate of alleen onder voorwaarden verstrekt.

Bij welke clan hoor ik?

Onze samenleving zou, naast de onvoorwaardelijke verstrekking van een basisinkomen, sociale voorzieningen moeten creëren die gebaseerd zijn op vertrouwensrelaties. Vormen van ‘samen delen’ die aansluiten bij de werkelijk gevoelde solidariteit in een ‘clan’. Een onfortuinlijk groepslid dat een beroep doet op hulp van de anderen moet zich weliswaar verantwoorden, maar tegenover zijn gelijken. De kans op positieve inzet, ondanks tegenslagen, neemt daardoor sterk toe.

Informele sociale voorzieningen bestaan al enige tijd, namelijk broodfondsen. Maar die zijn uitsluitend voor zelfstandig ondernemers. Interessant is dat deze solidariteit kennelijk vanzelf ontstaat tussen mensen voor wie de overheid niets geregeld heeft. Wat een contrast met verzekeringen: die creëren het opportunisme uit de foute verhalen die we op feestjes horen: weinig premie betalen en veel declareren.

Juist door de werknemersverzekeringen weg te nemen zouden we wellicht meer reflecteren op onze goede trouw. Niet omdat we die moeten bewijzen aan de UWV-inspecteur, maar omdat die goede trouw ons verbindt met de mensen die ons na staan.

Dit is aflevering 2, deel 2 van een drieluik over knelpunten in de arbeidsmarkt. In deel 1 introduceerde ik het vraagstuk van ‘goede trouw’. De eerste aflevering van het drieluik, Geen instroom zonder doorstroom, liet zien dat te veel mensen onder hun niveau moeten werken. De consequentie is dat inactieven daardoor minder kans hebben op de arbeidsmarkt. Door beter gebruik te maken van de talenten van mensen die werken, kan ruimte gecreëerd worden voor mensen die dat nog niet doen.

*) Over de minimale levensstandaard kunnen we natuurlijk van mening verschillen, maar naar de omvang van een zogenaamd ‘leefbaar inkomen’ is al het nodige onderzoek gedaan. Er is een leefbaar inkomen vastgesteld voor (vrijwel) elk land te wereld.

Advertisements

Een gedachte over “Te goeder trouw (deel 2)”

  1. Staat op LinkedIn én op Twitter -☺. Gelukkig denk jij –ook- na over een utopie. Heerlijk naast alle dystopieën die de Trumps, de Wildersen en de Le Pen’s van deze wereld voortoveren….groet! Ronald

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s